Erfgoeddag 2004: Het zit in de familie

Onze expo: Feest in de familie

In de tentoonstelling in De Zorge vielen twee gedekte tafels op: één voor de meer gegoede burgerij en één voor arbeiders en zogenaamde ‘kortzitters’. Door de beperkte ruimte van de vroegere trouwzaal van De Zorge waren de tafels slechts gedekt voor twee personen. Toch kreeg de bezoeker een indruk van de kloof tussen arm en rijk. Rond die tafels vertelden expositiepanelen en kijkkasten over de evolutie in de tradities rond doop-, huwelijks- en communiefeesten. Er was ook aandacht voor aankondigingen, gedachtenisprentjes,  menu’s en geschenken.

 

De feesttafel in een arbeidersgezin eind 19de eeuw.

De kloof tussen de rijke burgerij en een arbeidersgezin was voor de Eerste Wereldoorlog zeer groot. Een feestdiner was in een arbeidersgezin eind 19de eeuw dan ook zeldzaam, vandaar de sobere tafel. Een geboorte werd meestal gevierd in de plaatselijke herberg met grote hoeveelheden jenever of bier. Voor een huwelijk maakte men een uitzondering. Met de karige middelen die men had probeerde men toch een kleine feestmaaltijd te bereiden. Als tafelkleed werd meestal een gesteven bedlaken gebruikt. De tafel werd gedekt met het alledaags servies en bestek. Daar men slecht het hoogstnodige bezat, leende men aanvulling bij de buren. In de meeste gezinnen had men enkel een diep bord, dat zowel voor de soep als voor het hoofdgerecht werd gebruikt. Koffie of cichorei werd gedronken uit grote kommen. Als afsluiter werden enkele dreupels (jenever) gedronken.

De feesttafel bij de hogere burgerij en de adel  zag er eind 19de eeuw uiteraard heel anders uit, mooi geschikt volgens de regels van de etiquette. Op het middenstuk van de tafel kwamen achtereenvolgend de schotels met visgerechten, vleesgerechten en gebraden gevogelte zoals talingen en snippen (1). De materialen waaruit het servies was gemaakt, etaleerde de financiële welstand van de familie: porselein, koper, zilver…  Rond de ruimte voor de hoofdschotels stonden netjes geschikt: kaarslampen (2), bloemvazen (3), een vuurstel (4), taartschotels (5 en 6), schotels voor roomschuim (7), fruitstruif (8), salades (9), vis (10), aardappelen (11), groenten (12), soezen (13), kroketten (14), boter (15), kaas (16), beschuit (17) en vier soorten compotes (18). Per tafelgast stonden bord en servet, glazen en bestek klaar (a en e). Tenslotte vond men nog plaats voor een waterkaraf (b), een wijnfles (c) en zout- en pepervaatje. (tekst: Yvette Kemel)